Society of control

Society of control

Volgens de Franse filosoof Gilles Deleuze (1925-1995) blijven de disciplinaire maatschappijen die Foucault beschreven heeft niet voor eeuwig bestaan. Sterker nog, in het artikel ‘Postscript on the Societies of Control’ (1990) schrijft Deleuze dat er ongetwijfeld nog allerlei restanten bestaan van de disciplinaire maatschappij, maar dat we ons nu in een ander soort maatschapij bevinden, die hij de controlemaatschappij noemt. Deze controlemaatschappij wordt heel anders gedefinieerd dan de disciplinaire maatschappij. Want, zo stelt Deleuze, zij die zich van onze belangen willen meester maken, hebben niet langer meer uitsluitingsstructuren nodig. De disciplinaire structuren – gevangenissen, scholen, ziekenhuizen, staan volop ter discussie: zou het niet beter zijn de behandeling uit te breiden? De bedrijven, de fabrieken worden in kleinere eenheden opgedeeld. Zouden systemen van onderaanneming en thuiswerk beter zijn? Bestaan er naast de gevangenis nog andere vormen om mensen te straffen? Controlemaatschappijen zullen, volgens Deleuze niet langer meer gebruik maken van opsluitingsstructuren. Zelfs de school verandert in de controlemaatschappij: opleiding en beroep zullen samenvallen. Controle is niet hetzelfde als discipline. Deleuze geeft het voorbeeld van de autosnelweg; door de aanleg van autosnelwegen worden mensen niet opgesloten, maar in plaats daarvan worden de controlemethodes verhoogd. Los van het feit of de controle de uitdrukkelijke bedoeling is van de snelweg is, geeft het voorbeeld aan dat de mensen onbeperkt en ‘vrij’ kunnen rondrijden en toch perfect gecontroleerd worden.

Volgens Deleuze is de controlemaatschappij niet beter of slechter dan de voorgaande maatschappijvormen. Elke maatschappijvorm (soevereiniteit, disciplinering of controle) heeft volgens hem een bevrijdend en een onderwerpend karakter. Maar de verandering van de maatschappijvorm zorgt er wel voor dat we op een andere manier naar de controlemaatschappij moeten kijken, omdat de concepten van de soevereine en disciplinerende macht gedeeltelijk achterhaald zijn. Deleuze duidt daarmee op een ander soort maatschappij, die voortkomt uit de disciplinaire maatschappij, maar waarin de preventieve macht van controle en toezicht een belangrijkere rol gaat spelen dan de disciplinerende macht. In The New Politics of Surveillance and Visibility (2006) van de Canadese criminologen Kevin D. Haggerty en Richard V. Ericson wordt een poging gedaan om deze nieuwe maatschappijvorm te benoemen en te reconstrueren.

Versnelde modernisering

De technische ontwikkelingen sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de ontwikkeling en de groei van vormen van toezicht enorm versterkt. Zo heeft de komst van de computer er voor gezorgd dat de verwerking en de analyse van enorme hoeveelheden aan informatie aanzienlijk makkelijker en sneller is geworden. Tegelijkertijd maakt het gebruik van computers het mogelijk om de informatie sneller uit te wisselen. Statistiek wordt dan ook steeds minder een proces van menselijke bemoeienis en ontwikkeld zich steeds meer in de richting van ‘data-mining’: het hergebruiken van beschikbare statistische data. Waarmee getracht wordt om op een geautomatiseerde manier patronen en relaties te ontdekken in grote hoeveelheden gegevens. Deze nieuwe technieken van toezicht, observeren mensen niet als individuen, maar breken ze af in een serie van discrete, meetbare (en dus vergelijkbare) delen, volgens voorafgaande classificeringen. Samengevoegd ontstaat er dan een ‘data double’, een virtueel profiel dat eenvoudig te verwerken is en verspreiding makkelijker maakt. Dit concept van ‘surveillant assemblage’ of data-mining laat zien dat er niet een Orwelliaanse Big Brother achter de knoppen zit, maar dat het eerder een combinatie is van verschillende toezichtsystemen met verschillende doelen en mogelijkheden: het is een uiting van het discours van toezicht.

De historische ontwikkeling van toezicht heeft er voor gezorgd dat mensen en hun handelingen steeds meer en beter geobserveerd (kunnen) worden. In de pre-moderne periode van de soevereine macht liet de macht zich zien en bleven de onderdanen in het duister. De moderne disciplinaire macht daarentegen maakt zichzelf zoveel mogelijk onzichtbaar, maar aan haar onderdanen legt ze een continue en totale zichtbaarheid op. In onze tijd van de massamedia is de zichtbaarheid genivelleerd. Iedereen weet hoe de president van de Verenigde Staten er uit ziet en, of we het willen of niet, we zijn bekend met de hobby’s van de Nederlandse minister-president. In ‘The Eagle and the Sun’ noemt de Noorweegse criminoloog Thomas Mathiesen dit (naar analogie van het panopticisme) het synopticisme: de mogelijkheid van de velen om de enkelen te kunnen zien. Daaruit volgt ook de cultuur van beroemdheden (mogelijk gemaakt door de massamedia), die niet per se gebaseerd is op kunde, maar op zichtbaarheid, uiterlijkheid en exteriorisering. De hiërarchie van zichtbaarheid is daarmee genivelleerd, want iedereen staat onder toezicht en wil gezien worden. Waarmee niet gezegd is dat sociale ongelijkheden opgelost zijn, maar groepen in de samenleving die onder de disciplinaire machtsstructuren nog ongezien door het leven konden gaan staan nu ook onder toezicht. Er is sprake van een decentralisering van toezicht.

 Ontbindingsproces

De versnelde modernisering van de tweede helft van de twintigste eeuw hebben niet alleen de ontwikkeling en de groei van vormen van toezicht enorm versterkt. Volgens de filosoof René Boomkens is deze versnelde modernisering in wezen een ontbindingsproces. In De nieuwe wanorde (2006) stelt hij dat:

 ‘…bestaande gemeenschappen, collectieve identiteiten en praktijken [...] meer en meer [worden] ondermijnd, opengebroken en uiteindelijk vernietigd door de alomtegenwoordigheid van de (mondiale) marktwerking en de daarmee samenhangende individualisering. De crisis van de gemeenschap uit zich in een groeiend gevoel van onveiligheid, in een nostalgische hang naar vroeger, naar dorpse sociale controle, kleinschalig gemeenschapsleven, duidelijke gezagsverhoudingen en/of meer en harder optreden van politie en justitie.’

Het verlangen naar veiligheid is in een radicaal geïndividualiseerde samenleving tegelijkertijd zeer begrijpelijk én onhaalbaar, zo stelt Boomkens. De burgers eisen immers enerzijds alle vrijheid en speelruimte voor zichzelf, willen zo min mogelijk gehinderd worden door anderen en door een bemoeizieke overheid. Anderzijds willen ze tegelijkertijd een veilig en onbedreigd leven leiden, zonder te beseffen dat die twee eisen met elkaar op gespannen voet staan. Deze paradox is volgens Boomkens tegenwoordig ook in de sfeer van de Nederlandse politiek en beleid terug te vinden: al decennialang is de overheid aan het ‘dereguleren’, ‘privatiseren’ en ‘liberaliseren’, maar geconfronteerd met de verontrustende toename van onveiligheidsgevoelens onder de bevolking én met de groter wordende onrust rond integratie, moslimfundamentalisme en criminaliteit onder tweedegeneratie migrantenjongeren, zichtbaar gemaakt door statistische cijfers die deze onrust kenbaar maken, ontpoppen de overheid en de politiek zich plotseling als kampioenen van de maakbare samenleving, aldus Boomkens. Dat is echter geen maakbaarheid die, zoals in de jaren zestig en zeventig, in het teken staat van emancipatie, vooruitgang en solidariteit, maar een die in het teken staat van surveillance, controle, misdaad- en terreurpreventie, bewaking, zero tolerance, spreidingsbeleid en inperking van privacy.

De historicus Theodore M. Porter concludeert dan ook dat in de laatste decennia de democratische politiek beslissend is geweest in het vormen van een context van overweldigend wantrouwen, of ten minste wantrouwen van persoonlijk oordeel. Het creëert dan ook een samenleving, die niet stabiel en organisch is, maar onpersoonlijk en verdachtmakend, en een vorm van kennis vereist die publiekelijk zichtbaar en objectief is. De strenge normen van het mathematisch bewijs, de metingssystemen, de wiskundige methodes van statistieken, en de demografische, economische, en sociale aantallen zijn volgens Porter bondgenoten in een campagne geweest om kennis meer open en zichtbaar als eenvormig te maken.

 Politisering

In navolging van Michel Foucault constateert de Italiaanse filosoof Giorgo Agamben (1942) de politisering van het leven het beslissende feit van de moderne tijd is. Deze politisering markeert voor hem een ingrijpende transformatie van verschillende klassieke politiek-filosofische categorieën. De politiek die het leven in de greep houdt, wordt door door Foucault, ‘biopolitiek’ genoemd. Dit slaat op het geheel van interventies en maatregelen waarmee over de lichamen als onderdeel van de menselijke soort controle wordt uitgeoefend. Was er volgens Agamben vroeger sprake van dat biopolitieke ingrepen bevolkingen en klassen van elkaar scheidden, nu ontstaan gevarieerde technieken om het natuurlijke lichaam van het individu te beheersen en het menselijk leven op die manier te veranderen.

Agamben verbindt de relatie tussen politiek en leven aan een uitzonderingstoestand.Vanuit onze democratische traditie moet de uitzonderingstoestand als een strikt juridische term worden uitgelegd. Ze wordt begrepen als ‘een staat van beleg’ die wordt uitgeroepen op het moment dat de uit- of inwendige veiligheid van een land in gevaar komt. Op het moment dat die bedreiging aan de orde is, kunnen verschillende artikelen van de grondwet terzijde worden geschoven. Bepalend hiervoor is dat de wetgever die uitzonderingstoestand nauwkeurig omschrijft en vastlegt in de grondwet van het land. Als een rechtshistorische term moet de uitzonderingstoestand echter worden begrepen vanuit een bredere betekenis. Agamben stelt dat steeds minder een verschil kan worden gemaakt tussen regel en uitzondering. Hij constateert dat de uitzonderingstoestand in onze dagelijkse praktijk is doorgedrongen. De gevolgen worden concreet als we kijken naar de rechtspositie van bijvoorbeeld de gevangenen in Guantanamo Bay of het lot van uitgeprocedeerde vluchtelingen die nog in Nederland verblijven in ogenschouw nemen. Beide groepen kunnen geen enkel beroep doen op de regels die bij een nationale rechtsstaat horen. Letterlijk bevinden ze zich buiten de normale rechtsorde, in een toestand van volstrekte rechteloosheid, waarbij ze zijn overgeleverd aan de soevereine macht van gezagsdragers (of handhavers van toezicht) waarmee ze op bewaakte en onbewaakte momenten in aanraking komen: politie, gevangenisbewaarders, veiligheids-personeel, burgerwachten, etc.

 Criminaliteit

De Canadese socioloog David Garland heeft in The Culture of Control (2001) laten zien dat er een ontwikkeling binnen de rechtshandhaving van de Britse en Amerikaanse regeringen in de laatste dertig jaar te zien is, die vergelijkbaar is met de uitzonderingstoestand zoals Agamben die beschrijft. De rechtshandhaving in de controle-maatschappij heeft als doel iedere vorm van criminaliteit te voorkomen, waarbij alle mogelijke middelen worden ingezet, aldus Garland.

Het systeem van strafrecht gericht op resocialisatie is in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten ontstaan aan het einde van de negentiende eeuw en beleefde zijn hoogtepunt rond de jaren 1950 en 1960. De leidende gedachte was dat het strafrecht de burger moest beschermen tegen de ongebreidelde macht van de overheid. Maar nog belangrijker dan deze machtskritische functie was dat het zich concentreerde op de resocialisatie van de dader. In andere woorden: het strafrecht concentreerde zich op de heropvoeding en disciplinering van de gevangen, zoals Foucault in Discipline, toezicht en straf (1975) uitvoerig beschrijft. In dit systeem concentreerde de aandacht van de verschillende professionele organisaties zich enerzijds op de ‘psychopathische overtreder’ en anderzijds op de sociale en economische oorzaken van criminaliteit. Daardoor ging relatief weinig belangstelling uit naar het slachtoffer. Criminaliteit kwam voort uit de onaangepastheid van individuen en gezinnen, ontstond door sociale achterstand in de vorm van slechte economische omstandigheden of was het gevolg van onvoldoende toegang tot de arbeidsmarkt.

Vanaf de jaren 1970 verandert het strafrechtelijke klimaat in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten radicaal van karakter en inhoud. Hoewel het systeem van strafrecht gericht op resocialisatie een kleine honderd jaar naar relatieve tevredenheid functioneerde, dient het strafrecht de burger niet meer te beschermen tegen de macht van de overheid, maar is het gericht op het voorkomen van misdaad en het verminderen van angst voor criminaliteit. Niet meer de delinquent of het criminele karakter van de dader staat voorop, de genoegdoening aan het slachtoffer en de samenleving vormt het belangrijkste uitgangspunt. Criminaliteit is in de loop van de laatste decennia geherdefinieerd tot een veiligheidsvraagstuk, tot een risico dat iedereen kan treffen. Iedereen kan potentieel slachtoffer worden, maar iedereen kan ook mogelijke dader zijn. Criminaliteit is niet langer het lot van daders, maar het lot van slachtoffers.

In de omslag van deze systemen van de disciplinerende macht naar wat Garland de cultuur van controle noemt, spelen volgens hem sociale, economische, culturele en politieke veranderingen een belangrijke rol. In Europa en de Verenigde Staten is de heersende politieke filosofie veranderd van een overwegend sociaal-democratisch bestel tot een combinatie van neoliberalisme dat gericht is op marktwerking, privatisering en ondernemerschap (in andere woorden: het terugtrekken van de overheid) en neoconservatisme dat het accent legt op de bijzondere positie van het gezin en de rol van de nationale staat. Daarnaast heeft de toegenomen betekenis van populaire media als de televisie en de opkomst van de auto, waardoor mensen verder van hun werk gaan wonen en zich aan de rand van de stad vestigen, volgens Garland bijgedragen aan een nieuwe ‘ideologische omgeving’ waarin het adagium van het strafrecht gericht op resocialisatie, geen gevangenissen, maar scholen volledig is omgedraaid.

In Nederland is een soortgelijke verandering te zien. De tijd dat Nederland een voorbeeldfunctie vervulde op het gebied van tolerant strafrecht is misschien wel voorgoed voorbij. De criminologen Miranda Boone en Martin Moerings publiceerden ‘De cellenexplosie’, waarin ze lieten zien dat sinds 1985 is het aantal gevangenen per 100.000 inwoners is verviervoudigd. Volgens Boone en Moerings is de grootste toename van detentiepopulatie te vinden in de specifieke categorieën: vreemdelingen, tbs en jeugdigen. De groei in de eerste categorie kan direct worden toegeschreven aan het toegenomen intolerante beleid ten op zichte van vluchtelingen en asielzoekers tijdens de regeringen Balkenende I t/m III. Dit strikte beleid ten opzichte van deze vreemdelingen resulteerde direct in meer vrijheidsberoving. De zwakke juridische status waarin veel asielzoekers en illegale immigranten zich bevinden, vergroot bovendien de kans dat zij zich aan strafbare feiten schuldig maken. De overwegend zwarte kleur van de gevangenispopulatie wordt echter niet alleen veroorzaakt door de detentie van asielzoekers en illegalen. In 1993 was 53% van de gevangenispopulatie in Nederland geboren, in 2004 was dat maar 42%, met meetelling van de gedetineerden die zich in vreemdelingenbewaring bevinden. Het grote aantal tweede generatie immigranten is niet meegenomen in dit percentage.

Boone en Moerings concluderen dat Nederland van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden is tot een land dat zijn problemen met minderheids- en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten. Ze zien een duidelijk verband met de toegenomen roep om rust, orde en veiligheid op straat. Het mag niet verbazen dat aan de basis van deze toegenomen roep om rust, orde en veiligheid statistische gegevens staan die criminaliteit en de minderheids- en probleemgroepen zichtbaar maken.

 Het protocol

In de lezing ‘Een protocollaire rechtshandhaving’ stelt filosoof en jurist Marc Schuilenburg dat de eenentwintigste eeuw de eeuw van protocollen wordt. Protocollen zijn geen nieuw verschijnsel. Ze hebben een lange geschiedenis in instituten die diep zijn geworteld in onze samenleving, zoals het leger, de diplomatie en de gezondheidszorg. Binnen die structuren hebben ze tot taak correct gedrag te produceren binnen een systeem van vaste afspraken. Volgens Schuilenburg neemt het aantal protocollen op dit moment enorm toe. Vaak zonder dat scholieren, medewerkers of personeel dat weten zijn op scholen, in ziekenhuizen of ministeries protocollen van kracht die voorschrijven waar het handelen en optreden van werknemers en de studenten aan moeten voldoen.

Om de preventieve controlerende functie van het protocol duidelijk te maken, moeten we volgens Schuilenburg realiseren dat protocollen niet neutraal zijn. Ze zijn nauw verbonden met een politieke en sociale productie van onze identiteit. Het protocol oefent een controle op het leven uit door universaliteit en homogeniteit te eisen van de personen die zich ophouden in de openbare ruimte. Ofwel, protocollen sluiten verschillen uit. Het gevolg is een verstarring van de onderlinge verhoudingen. De effecten van het gebruik van toezichtstechnieken zoals bewakingscamera’s, maar toch ook statistiek (denk bijvoorbeeld aan de normaalverdeling) zijn daarom veel ingrijpender dan misschien op het eerste gezicht lijkt. In de openbare ruimte vervangen ze namelijk de wet en norm als controlerend instrument.

Eén van de grote vernieuwingen die deze machtstechniek meebrengt is dat ze de organisatiewijze van het openbare leven tot het op het kleinste detail controleert. Het is, in de woorden van Michel Foucault, de microfysica van de macht. Protocollen brengen een normaliteit mee gebonden aan onzichtbare voorschriften. Ze vereisen een omgeving waarin het dragen van zonnebrillen, honkbalcaps en hoofddoeken in de openbare ruimte wordt verboden, omdat deze de zichtbaarheid belemmeren, in het geval van de bewakingscamera’s. Op het gebied van de statistiek zijn ook enkele voorbeelden te noemen. Wat te denken bijvoorbeeld van de trend dat in steeds meer landen het puntenrijbewijs wordt ingevoerd om de risico’s tegen te gaan van drank en drugs in het verkeer? Niet alleen staat er in de landen, in Nederland sinds 2002, een geldboete op te hard rijden of het rijden onder invloed, ook krijgt de overtreder strafpunten. Is de limiet bereikt, dan wordt het rijbewijs en daarmee de toegang tot fysieke netwerken als snelwegen, ingetrokken. En in landen als de Verenigde Staten en Engeland is er een systeem van kracht dat asielzoekers punten geeft op basis van hun kwalificaties, vaardigheden en arbeidsverleden. Hoe meer punten een asielzoeker bezit, hoe groter zijn kans op een verblijfsvergunning. Kortom, de strategie van puntentoekenning (gebaseerd op statistische gegevens) maakt het mogelijk dat personen steeds meer worden beheerst en beheerd. Ze worden nauwkeurig bestuurd door gedetailleerde puntensystemen die het individu en zijn bijbehorende kenmerken zichtbaar maken. Met een mogelijke uitsluiting als gevolg.