Michel Foucault en disciplinering

Michel Foucault en disciplinering

Een ding staat in ieder geval vast: Michel Foucaultde mens is niet langer het oudste of het meest constante probleem dat aan het menselijke weten werd gesteld. […] De archeologie van ons denken toont eenvoudig aan dat de mens een uitvinding van recente datum is. En mogelijk ook dat zijn einde nabij is.

Als deze disposities zouden verdwijnen zoals ze zijn verschenen, als ze zouden omslaan door een of andere gebeurtenis […] dan zouden we er zeker van kunnen zijn dat de mens zal verdwijnen, als een gezicht in het zand op de vloedlijn van de zee.’

In navolging van de filosoof met de hamer Friedrich Nietzsche (1844-1900), die de dood van God aankondigde in De vrolijke wetenschap (1882), kondigt de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) in De woorden en de dingen (1966) het einde van de mens aan. Het einde van de subjectfilosofie, van de Duitse filosoof Imannuel Kant (1724-1804) tot de Fransman Jean-Paul Sartre (1905-1980), die de mens beschouwde als het centrum van zijn denken en handelen.

Foucault heeft het historische, contingente (voorbijgaande) karakter van de moderne epistèmè willen aantonen. Het oud-Griekse woord epistèmè betekent letterlijk kennis. Foucault gebruikt het in de betekenis van de archeologische grondstructuur die samenhang verleent aan het weten en alle daarop gefundeerde vormen van kennis die door de wetenschappen in een bepaald tijdsbestek geproduceerd worden. Volgens Foucault convergeert iedere epistèmè in een kerncategorie: tijdens de renaissance was dat gelijkenis, in de klassieke tijd (17een 18eeeuw) representatie, en in de moderne tijd de analytiek van de eindigheid. In De woorden en de dingen laat hij zien dat de vooropstelling van ‘de mens’, van zowel een empirisch object als een transcendentaal subject epistimologische gymnastiek teweegbrengt. De mogelijkheid van het individu zowel subject als object van zijn eigen kennis te zijn, leidt ertoe dat de structuur van de eindigheid in het weten wordt omgekeerd. Foucault stelt dat voor het traditionele, pre-moderne denken de eindigheid geen andere inhoud had dan de ontkenning van het oneindige, terwijl het denken dat aan het einde van de achttiende eeuw ontstaat, aan de eindigheid de macht van het positieve toekent: er ontstaat dan een moderne subjectfilosofie waarin de mens zowel subject als object van zijn eigen kennis is. De eindigheid objectiveert, in andere woorden; de eindigheid plaatst het object in ruimte en tijd waardoor het een te onderzoeken waarde krijgt.

Het structuralisme ondermijnt de moderne epistèmè, het kondigt het einde van de subjectfilosofie aan. Volgens de structuralisten, zoals de Franse psycholoog Jean Piaget (1896-1980), heeft een structuur drie hoofdkenmerken: zij heeft het karakter van een totaliteit, zij is een systeem van transformaties en zij kent het principe van zelfregulatie. De structuur kan als een geheel van betrekkingen worden beschreven waarbinnen de elementen kunnen veranderen, maar altijd van het geheel afhankelijk blijven en vanuit dit geheel zin verkrijgen. Het geheel is autonoom en soeverein ten opzichte van de delen. De structuralisten zien de structuur dan ook als opgesloten in een werkelijkheid, waarbij we bij het ontdekken daarvan alleen maar een passieve rol kunnen spelen. Wanneer die structuren echter als een activiteit gekarakteriseerd worden, dan is het die activiteit van de menselijke geest, die er op gericht is, telkens opnieuw orde te scheppen in de chaos van de werkelijkheid om ons heen. Met het idee van een actieve structuraliteit onderscheidt Foucault, samen met Franse filosofen zoals Claude Levi-Strauss (1908) en Roland Barthes (1915-1980), zich dan ook van de structuralisten die uitgaan van een structuur die de mens passief moet ondergaan. Volgens Foucault is structureren geen scheppen uit het niets, het is reproduceren, reconstrueren en reorganiseren, of zoals hij zegt in De orde van het spreken (1971):

…ik veronderstel dat in iedere maatschappij de productie van het spreken [het discours] tegelijkertijd wordt gecontroleerd, geselecteerd, georganiseerd en geherdistributeerd door een aantal procedures die tot doel hebben de machten en gevaren ervan te bezweren, het gebeurteniskarakter ervan te beheersen en de drukkende, vreeswekkende materialiteit ervan te ontwijken.’

De archeologie (als onderzoek naar de funderingen van van kennis) krijgt daarbij méér dan alleen maar een kentheoretische draagwijdte. De decentrering van het subject impliceert een filosofische én culturele breuk. Foucault werpt zich op als de opponent van het humanisme na de Tweede Wereldoorlog, van een hele generatie existentialisten waarvan Jean-Paul Sartre en de Franse schrijver en filosoof Albert Camus (1913-1960) de kopstukken waren. Volgens hen kon de mens ontkomen aan het absurde bestaan door in volle vrijheid zijn eigen weg te kiezen, zichzelf te vormen en zichzelf te verwerkelijken. Deze zelfverwerkelijking kan worden geactualiseerd in grenssituaties, situaties waarin de laatste vragen, en dus existentiele vragen, aan de oppervlakte komen, zoals oorlog, strijd, schuld, lijden of de dood. Dat zijn de momenten waarop de mens werkelijk existeert, boven zichzelf uitstijgt en in volle vrijheid kan handelen.

Het einde van de mens betekent het einde van het subject dat in volle vrijheid kan handelen en als oorsprong en fundament van het weten fungeerde. De oorsprong en het fundament van het weten komt volgens Foucault namelijk voort uit een anoniem denken, een kennis zonder subject, theorieën zonder identiteit. We denken altijd binnen een anoniem en dwingend denksysteem, namelijk dat van een bepaald tijdperk en van een bepaalde taal. Of zoals Foucault zegt in het voorwoord bij de eerste Nederlandse uitgave van De woorden en de dingen:

Het komt mij voor dat de historische analyse van het wetenschappelijk discours in laatste instantie niet het voorwerp is van enig wetend subject, maar veeleer van een theorie van discursieve praxis.’

Foucaults archeologie van de menswetenschappen, beschreven in de De geboorte van de kliniek (1963) en De woorden en de dingen (1966), richt zich op een synchrone studie van het grondweten, de epistèmè. Deze dieptestructuur wordt in kaart gebracht als een netwerk van de discursieve praxis; de betekenis genererende relaties tussen betekenaars. De diachronie blijft echter onderbelicht. Op theoretisch gebied schiet de archeologische methode tekort voor het antwoord op de vraag waarom het grondweten vrij plots en radicaal van gedaante verandert. Als Foucault de epistemologische breuken in de overgang van het pre-moderne naar het moderne denken, niet alleen wil vaststellen, maar ook verklaren is hij genoodzaakt niet-discursieve fenomenen te betrekken in zijn analyse. De archeologie van het weten wordt de genealogie van de macht.

Genealogie van de macht

In Discipline, toezicht en straf (1975) onderzoekt Foucault het ontstaan en het functioneren van de gevangenis als bestraffings- en controlemethode in het kader van de moderne vorm van macht, door Foucault discipline genoemd. In zijn genealogie wil hij laten zien in welke mechanismen van macht-weten onze subjectiviteit produceren. In het derde (van de vier), en meest uitgebreide deel uit het boek, beschrijft hij hoe in de loop van de negentiende eeuw de disciplinaire maatschappij tot stand komt.

De discipline is geen uitvinding van de negentiende eeuw. De maatregelen die van oudsher genomen werden, bij een pestepidemie bijvoorbeeld, zijn een voorafbeelding van de disciplinaire machtsuitoefening. De pest staat, zowel in de werkelijkheid als in de verbeelding voor maatschappelijke wanorde: opheffing van de wetten, overtreding van de verboden, aantasting van het gezag. De pest roept een wereld van ziekte en besmetting op, maar ook van misdaad en revolte. Daartegenover staat de macht ten behoeve van orde: strikte inkadering, gedetailleerde reglementering, een uitgetekende hiërarchie, een systeem van nauwkeurige registratie. Iedereen krijgt zijn plaats, zijn naam, zijn lichaam, zijn identiteit toegewezen om tot een beheersing van de ziekte te komen.

Het omgaan met de pest staat tegenover het optreden van de macht naar aanleiding van lepra, waarbij het model van de uitsluiting gehanteerd wordt. De melaatsen worden verbannen naar een andere ruimte, buiten de samenleving. De uitsluiting van de lepralijder en de strategie bij een pestepidemie functioneren vanuit een verschillende politieke verbeelding. In het geval van de lepra gaat de politieke verbeelding uit van een gezuiverde samenleving, bij het omgaan met de pest van een gedisciplineerde samenleving. In de negentiende eeuw komen die twee modellen samen. Op de ruimte van de uitsluiting, waar traditioneel de melaatse huist, maar nu vooral misdadigers, gekken, zwervers en bedelaars, worden disciplinaire technieken toegepast. De uitgeslotenen worden geïndividualiseerd en geïdentificeerd, verdeeld en gecontroleerd. Anderzijds voert het systeem van permanente controle een tweedeling door tussen ingesloten en uitgesloten, aangepaste en gevaarlijke, normale en abnormale individuen.

Het Panopticon

Het Panopticon van de Engelse utilitarist en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748-1832) is voor Foucault de architectonische gedaante van de versmelting van uitsluitings- en disciplineringsmodellen. In 1791 publiceert Bentham het werk Panopticon, or the Inspection House waarin hij een constructieprincipe voor een moderne gevangenis presenteert. HPanopticonet Panopticon is een ringvormig gebouw met een toren in het midden. De ring bestaat uit cellen die van elkaar gescheiden zijn. Elke cel huisvest één gevangene. Een klein raam aan de buitenkant laat het licht binnenvallen, een groot raam aan de binnenkant kijkt uit op de toren. Daar bevindt zich de bewaker die toezicht uitoefent op de gevangenen. De gevangene is elk moment zichtbaar, maar de bewaker is onzichtbaar. De macht wordt uitgeoefend via een een asymetrische zichtbaarheid: ze ziet zonder gezien te worden. De gevangenen zijn object van informatie, maar nooit subject van communicatie. Het panoptische systeem schept ruimtelijke eenheden die onophoudelijke waarneming en ogenblikkelijke herkenning mogelijk maken. Kortom, het principe van het pre-moderne cachot wordt omgekeerd; of meer precies, van zijn drie functies – opsluiten, van daglicht beroven en verbergen – blijft enkel de eerste behouden terwijl de beide andere tegen de gevangenen gebruikt worden:

De blik van de bewaker en het volle licht houden beter gevangen dan de duisternis, die uiteindelijk bescherming biedt. Zichtbaarheid is een valstrik.’

De gevangene weet niet of hij op een bepaald moment gezien wordt, maar hij weet wel dat hij op elk moment zichtbaar is. Het panopticon is volgens Foucault een controlemachine. De macht functioneert onpersoonlijk en automatisch. De gevangenen worden geïndividualiseerd, de macht daarentegen wordt gedesindividualiseerd. De macht werkt, in principe zelfs als niemand ze daadwerkelijk uitoefent: door de inrichting van de ruimte, de inval van het licht, de plaatsing van de lichamen, de assymetrie van de blikken.

Daaruit volgt de belangrijkste werking van het panopticon. Het installeert bij de gedetineerde een bewuste en permanente toestand van zichtbaarheid, die het automatisch functioneren van de macht verzekert. Het maakt dat de effecten van het toezicht permanent zijn, ook als de activiteit onderbroken wordt. De macht wordt dermate geperfectioneerd dat de daadwerkelijke machtsuitoefening [het gebruik van geweld]neigt overbodig te worden. Dit architectonische apparaat is een machine die een machtsverhouding schept en in stand houdt, onafhankelijk van degene die ze uitoefent. Kortom de gevangenen worden geplaatst in een machtssituatie waarvan ze zelf de dragers zijn.’

De utilarist en sociaal hervormer Bentham beschouwt zijn panopticon niet alleen als een constructieprincipe voor een ideale gevangenis. Hij wil het toepassen in elke instelling waar personen onder toezicht staan: in armenhuizen, klinieken, psychiatrische instellingen, kazernes, scholen, internaten, werkplaatsen enzovoort. Foucault noemt het panopticon een diagram. Het is een abstract architectonisch en optisch model dat in beginsel kan gelden voor het hele maatschappelijke lichaam. Het is een figuur van machtstechnologie die, met de nodige aanpassingen en verfijningen, ingezet kan worden op heel verschillende terreinen en voor voor heel uiteenlopende doeleinden.

Die machtstechnologie is ook toegepast. In de negentiende eeuw komen veel gebouwen tot stand en worden heel wat ontwerpen gemaakt volgens de panoptische leer. Het panopticon oefent een grote aantrekkingskracht uit zowel op het niveau van de maatschappelijke realiteit als op de politieke verbeelding. De mechanismen van bestraffing en toezicht die in de gevangenis ontwikkeld en beproefd zijn, zwerven bovendien uit over de hele maatschappij. Ze worden eerst toegepast op marginale terreinen: in instellingen waar de uitgeslotenen zich bevinden, bijvoorbeeld in gevangenissen, psychiatrische instellingen, armenhuizen. Gaandeweg vinden we het panopticon en zijn typische machtsmechanismen terug in centralere sectoren: bijvoorbeeld in scholen, kazernes en fabrieken. Behalve in de fysieke toepassingen zien we het panopticon ook terug in de geboorte van de statistiek. Daar waar statistiek zijn blik op richt creëert het kennis. Statistiek haalt gebeurtenissen, processen en structuren uit de duisternis van de samenleving en maakt ze zichtbaar. In andere woorden: statistiek is een panoptisch mechanisme.

Overal waar het gebruikt wordt, leidt het panopticon tot een perfectioneren van de macht, een optimaliseren van de productie, een verbeteren van de gezondheid, een vermeerderen van kennis. Die vaststelling brengt Foucault bij het idee van de disciplinaire maatschappij.

Discipline

Foucault wijst er op hoe aan het begin van de zeventiende eeuw de soldaat nog geïdealiseerd wordt in termen van moed, trots, kracht en vechtlust. Zijn lichaam draagt de tekens van een retoriek van de eer. Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw wordt de ideale soldaat beschreven als de gedisciplineerde militair. De discipline betekent de ontdekking van het lichaam als een machine die men kan inzetten in de oorlog. In eenzelfde beweging vermeerdert ze de lichaamskrachten en creëert ze volgzaamheid.

Het is zeker niet voor het eerst dat het lichaam het voorwerp is van een dergelijke strakke en volledige inkapseling; in iedere samenleving is het lichaam volgens Foucault gevangen in een netwerk van machten die het onderwerpen aan dwang, aan plichten en verboden. De technieken van de achttiende eeuw bevatten echter een aantal nieuwe elementen. Het gaat nu niet om de lichamen en masse, maar om de beheersing van de afzonderlijke lichamen, een analytische controle tot in hun kleinste onderdelen: hun gebaren, bewegingen, verplaatsingen, houdingen, ritmes, enzovoort. De discipline bestaat bij de gratie van het detail. Ze is de microfysica van de macht. Ook het object van de macht is nieuw. Het gaat niet langer om de betekenis van het gedrag of om de taal die het lichaam spreekt, maar om de lichaamskrachten. Deze nieuwe machtstechnologie ontstaat volgens Foucault in de tweede helft van de achttiende eeuw omdat, met de geboorte van de statistiek de samenleving meetbaar wordt en het nieuwe begrip ‘bevolking’ ontstaat. Statistiek toont aan dat het domein van de bevolking andere fenomenen kent, zoals epidemieën, doodsoorzaken, arbeid en rijkdom, die niet terug te brengen zijn in het traditionele gezin. Ook toont statistiek aan dat de bevolking, door zijn verschuivingen, gebruiken en activiteiten, specifieke economische gevolgen heeft. Dit is volgens Foucault een van de redenen waarom het belang van het gezin in de moderne samenleving afgenomen is; het wordt een instrument van disciplinering, in plaats van het traditionele model van de samenleving.

Het is de geboorte van een ‘politieke anatomie’, die volgens Foucault tegelijk een ‘mechanica van de macht’ is; ze bepaalt hoe men greep krijgt op de lichamen van anderen, niet enkel zodat deze doen wat van ze wordt verlangd, maar zodat ze op de gewenste wijze functioneren, volgens vastgestelde technieken, in het aangegeven tempo en met de beoogde effectiviteit. Zo fabriceert de disciplinering gehoorzame, dat wil zeggen onderdanige en gedrilde lichamen. Discipline doet de krachten van het lichaam toenemen (in termen van economisch nut), en deze zelfde krachten afnemen (in termen van politieke gehoorzaamheid). Kortom, ze splitst de macht van het lichaam in tweeën; ze maakt er aan de ene kant een ‘bekwaamheid’ van, een ‘capaciteit’ die ze tracht te vergroten; anderzijds wordt de energie, de kracht die hieruit kan voortkomen geïntervenieerd en omgezet in een betrekking van strikte onderworpenheid. Zoals de economische uitbuiting de arbeidskracht scheidt van het arbeidsprodukt, zo kunnen we zeggen dat de disciplinerende dwang in het lichaam een directe verbinding legt tussen een groeiende bekwaamheid en een toenemende politieke beheersing, waarbij statistiek een voornaam instrument blijkt te zijn.

Disciplinering is in feite een naam voor een netwerk van uiteenlopende machtsmechanismen. Een eerste reeks disciplinaire technieken heeft als doel de ruimte te beheersen. De individuen worden samengebracht op een afgebakende plaats: het klooster, de kazerne, het internaat, de school, de kliniek, de fabriek. Foucault noemt dat procédé de clausuur. Die ruimte wordt verdeeld in een aantal cellen, waarbij op elke plaats één individu geplaatst wordt en aan elk individu een vaste plaats toegewezen wordt. Dat principe, door Foucault parcellering genoemd, produceert machtswinst. De inrichting van de ruimte creëert zichtbaarheid en kenbaarheid. Men kan in één oogopslag ieders aan- of afwezigheid vaststellen, iedereen terugvinden, ieders gedrag op elk moment controleren, nuttige communicatie bevorderen en desgewenst afremmen:

Een procedure dus om te kennen, te overmeesteren, te gebruiken. De discipline organiseert een analytische ruimte.’

De ruimte wordt ingevuld in functie van de maximale efficiëntie: de fabriek in functie van de economische productiviteit, de school als leermachine, de kliniek als gezondheidsmachine. De ruimte wordt ook hiërarchisch ingericht in functie van de hiërarchie. Iemands plaats in de ruimte drukt ook zijn plaats in de rangorde uit. Men creëert een ruimte die tegelijk functioneel en hiërarchisch is. Er ontstaat een nieuw type van toezicht. In de manufactuur werd de arbeid gecontroleerd door ‘inspecteurs’ die van buiten kwamen. De controle was alleen gericht op de kwaliteit van het eindproduct. In de moderne werkplaatsen is het toezicht permanent aanwezig tijdens het productieproces. Het wordt binnen het bedrijf ingebouwd als een aparte functie. Niet alleen de producten worden gecontroleerd, maar ook de werkzaamheid van de arbeiders. De commerciële moderne werkplaatsen begonnen al vroeg arbeiders te evalueren door de hoeveelheid van productie te meten, wat het dubbele voordeel had dat het gemakkelijk was om te meten en ondubbelzinnig betrekking had op de rentabiliteit van de werkplaats. Foucault bestempelt deze reeks technieken als de constructie van tableaux vivants. Ze transformeren de chaotische, onproductieve en gevaarlijke massa tot een tableau van geordende en efficiënte lichaamskrachten:

We treden binnen in het tijdperk van het permanente onderzoek en de dwingende objectivering.’

De parcellering van de ruimte vind ook plaats binnen de statistiek. Het meten, ordenen en systematiseren van de statistiek was dan ook een technologie voor het beheren van de gebeurtenissen en een ethiek die de werkelijkheid structureerde en zin gaf.

De discipline controleert de ruimte, maar ze beheerst ook de tijd. De tijd wordt gefragmenteerd. Het dagrooster is een oude erfenis. Het gaat volgens Foucault terug op het strakke model dat zich in de kloostergemeenschappen had ontwikkeld, en heeft zich snel verbreid. De drie voornaamste methoden – het aanbrengen van regelmaat, het opleggen van vastomlijnde bezigheden en het organiseren van cycli – vonden al plaats in de colleges, de werkplaatsen en de hospitalen. De nieuwe discipline voegt zich moeiteloos in de traditionele schema’s; de internaten en de armenhuizen nemen de geregelde leefwijze over van de kloosters waaraan ze vaak verbonden waren. Eeuwenlang zijn de religieuze orden de meester in de discipline geweest: ze waren de specialisten van de tijd, de grote technici van het ritme en de regelmatige activiteiten. De discipline van de regelmaat brengt wijzigingen aan in de overgeleverde methoden om de tijd te reguleren. Allereerst door ze te verfijnen. Men gaat in kwartieren, minuten en seconden denken. Men deelt globale gedragingen op in een reeks handelingen. Het verloop van elke handeling wordt nauwkeurig vastgelegd. Men streeft een optimale verhouding na tussen elk afzonderlijk gebaar en het hele lichaam, en tussen het lichaam en de gehanteerde objecten. De regulering van de tijd creëert ook de ruimte voor een nieuwe procedure: de oefening. Het lichaam krijgt een bepaalde taak voorgeschreven die een herhalend karakter heeft en trapsgewijs, met een toenemende moeilijkheidsgraad, opgebouwd is. De effectiviteit van de oefening wordt volledig ontplooid, maar aangewend in functie van de disciplinering van het individuele lichaam. In de oefening wordt de discipline geïnternaliseerd.

Het examen

De disciplinaire macht resulteert in krachtige en volgzame lichamen. Ze produceert ook weten. Het ontstaan en het functioneren van de menswetenschappen hangen volgens Foucault wezenlijk samen met de disciplinaire macht. Onder de middelen waarvan de discipline zich bedient, neemt het examen een belangrijke plaats in. Het examen combineert een hele reeks technieken van beheersing, toezicht (met statistiek als belangrijk mechanisme) en sanctionering en het koppelt de machtuitoefening aan de kennisverwerving.

Het examen keert de economie van de zichtbaarheid om. Traditioneel liet de macht zich zien, de onderdanen bleven in het duister. De disciplinaire macht daarentegen maakt zichzelf zoveel mogelijk onzichtbaar, maar aan haar onderdanen legt ze een continue en totale zichtbaarheid op. De architectuur krijgt in dit verband een nieuwe functie. Ze is er niet alleen op gericht praal uit te stralen, zoals het paleis, ruimten te versterken en de omgeving te overzien, zoals de vesting. Ze creëert observatoria: ruimten die de interne zichtbaarheid en kenbaarheid produceren. Het examen plaatst zijn ‘onderhorigen’ in een veld van documentatie. De individuen worden niet alleen geobserveerd, maar ook geïdentificeerd, geregistreerd, beschreven en becijferd. Er vormt zich een macht van het schrijven. Het dossier doet zijn intrede in de instelling. Er worden tabellen opgesteld, waaruit men gemiddelden, bepaalde ‘normale waarden’ gaat berekenen. Elk individu wordt ingeschaald in de functie van zijn conformiteit aan de norm, respectievelijk zijn afwijking daarvan. Onder een bepaalde drempel bevinden zich de ‘abnormalen’. De norm is zowel een kennis- als een machtsinstrument. Wie afwijkt van de norm (en wie doet dat niet?), komt in aanmerking voor correctie, heropvoeding en bestraffing.

Deze kennis- en machtsstrategie noemt Foucault normalisatie:

In zekere zin dwingt de normaliserende macht tot uniformiteit; maar tevens individualiseert ze door afwijkingen te meten, niveaus te bepalen, specifieke vaardigheden te fixeren en de onderscheiden bruikbaar te maken door ze op elkaar af te stemmen. De macht van de norm functioneert gemakkelijk binnen een systeem van formele gelijkheid, aangezien ze het hele scala van individuele onderscheiden kan onderbrengen in een uniformiteit die geldt als regel – als nuttig imperatief en het resultaat van een meting.’

Meting, als een kwantitatieve methode, betekent dan ook het disciplineren van mensen, evenals het standaardiseren van instrumenten en processen. Statistiek als discursieve praxis heeft dus ook een normaliserend karakter, en kwantificering is daarmee een sociale technologie. Een goed voorbeeld daarvan is de creatie van de ‘gemiddelde mens’ (L’homme moyen) door de ‘Belgische’ astronoom en statisticus Adolphe Quételet (1796-1874). Door de maten van de Franse dienstplichtigen op te nemen en die van vijfduizend Schotse soldaten te analyseren paste Quételet de wetten van de waarschijnlijkheid toe op de biometrische gegevens van de mens. Dit zijn onder andere gewicht, lengte en borstomvang. In zijn analyse stelt hij vast dat de gegevens rond gemiddelde waarden schommelen en dat ze constant lijken. Hij stelt een verdeling vast volgens een model dat hij de ‘curve van de mogelijkheden’ noemt. Quételet breidt deze curve, later bekend als de ‘normaalverdeling’, verder uit tot een geheel van fysische kenmerken en creëert zo het begrip ‘gemiddelde mens’. De Duitse filosoof Karl Marx (1818-1883) gebruikte het begrip van de ‘gemiddelde mens’ in het bepalen van de arbeidstheorie van waarde en de socioloog Emile Durkheim (1858-1917) gebruikte de statistische ideeën van Quételet en anderen in zijn onderzoek naar zelfmoord. En een afgeleide van de normaalverdeling wordt nog dagelijks gebruikt in de ‘medische praktijk’. De Quételet-index is een index waarmee het ‘ideale gewicht’ voor een bepaald persoon vastgesteld kan worden. De meeste mensen zullen dit kennen als de Body Mass Index.

Het examen, als kennis- en machtsstrategie, keert volgens Foucault terug in de instituten die zijn ontstaan vanuit de menswetenschappen. De gevangenis bijvoorbeeld bewaakt zichzelf: ze onderzoekt en perfectioneert voortdurend haar eigen werking. In de gevangenis vormt zich een heel weten wat betreft het menselijke gedrag. De gevangenen worden niet alleen opgesloten en onder toezicht geplaatst, maar ook onderzocht. De aandacht verschuift van de misdaad naar de misdadiger: zijn typische gedragingen, zijn lichaamsbouw, zijn gevoelens, zijn reacties, zijn sociale afkomst, enzovoort. De gevangenis produceert delinquentie, want ze creëert het beeld van het misdadige individu. Uit dit disciplinaire onderzoek ontspringt de criminologie. En op basis van statistische informatie kon de criminologie zich niet alleen verder ontwikkelen, voornamelijk door zichzelf te presenteren als een ernstige wetenschap met exacte en gedetaileerde kennis van haar onderzoeksobject, de gehele apparatuur van de strafrechtsbedeling kon ook met meer efficiëntie georganiseerd worden.

Het ontstaan van de pedagogie is een tweede voorbeeld. De school wordt een leermachine, waar het onderwijs gepaard gaat met permanente observatie. De leerlingen worden individueel geëvalueerd en onderling vergeleken. Het examen dringt ook steeds dieper in hun individualiteit. Niet alleen hun aanwezigheid en hun cognitieve vorderingen worden getoetst en geregistreerd, maar ook hun vooropleiding, hun ijver, hun attitude, de samenstelling en de problemen van het gezin, het beroep van de ouders, enzovoort. Het onderzoek op school is de geboorteplaats van de wetenschappelijke pedagogie.

En de inrichting van het ziekenhuis ligt aan de basis van de moderne geneeskunde. Het ritueel van de visite krijgt een nieuwe functie. In de zeventiende eeuw stonden externe artsen in voor de inspectie. Zij waren nauwelijks betrokken bij de dagelijkse leiding van de hospitalen. Zij verrichtten een aantal controles van religieuze en administratieve aard. Geleidelijk aan worden hun visites continuer, uitgebreider en grondiger. De vroegere onregelmatige en haastige controles veranderen in een geregelde observatie, die de zieke vrijwel permanent onderwerpt aan onderzoek en toetsing. Het verplegende personeel krijgt daardoor een ondergeschikte rol. Het hospitaal ontwikkelt zich tot het moderne ziekenhuis: een genezingsmachine. De ligging (clausuur) en de architectonische inrichting (parcellering) van het ziekenhuis, de verlichting, de luchtcirculatie om besmetting te voorkomen, de permanente observatie van de zieken worden belangrijke thema’s. In het nieuwe gezondheidsapparaat krijgt de vorming van kennis een centrale plaats. De studenten geneeskunde ontvangen een deel van hun opleiding in de kliniek.

In het kader van deze ‘nieuwe’ medische blik wordt er in de jaren rond 1850 Nederlandse medische kringen uitgebreid gediscussieerd over de betekenis en mogelijkheden van een betrouwbare, uniforme registratie van doodsoorzaken. Want, zo werd verondersteld, een cijfermatig overzicht van de doodsoorzaken in Nederland zou grote voordelen opleveren voor de pathologie en therapie. Eveneens is er rond die tijd een discussie over maatregelen ter voorkoming van het begraven van schijndoden. De beste maatregel ter voorkoming hiervan leek dat niet langer nabestaanden, begrafenisondernemers of ambtenaren van de burgerlijke stand een verklaring van overlijden zouden afgeven, maar dat geneeskundigen dit zouden doen, na de lijkschouwing, met voorzover mogelijk een opgave van de oorzaak van overlijden. Het uiteindelijke doel van het statisticeren van de doodsoorzaken was toen, en nu nog, het weergeven van (aspecten van) de gezondheidstoestand en de veranderingen daarin van de bevolking in Nederland, als basis voor beleid en nader onderzoek.

Ook wordt er een verband gelegd tussen gezondheid en de leefomstandigheden van mensen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd door middel van statistische gegevens dit verband onderbouwd. Ongezondheid werd niet als een individueel, maar als een collectief probleem gezien en de statistiek kon een rol spelen in het opsporen daarvan door het zichtbaar te maken.

Het examen maakt van elk individu een geval: een object van kennis en een doelwit van de macht. Eerder was de individualisatie het sterkst aanwezig bij degenen die de macht bekleedden. Bekeken en beschreven worden was het voorrecht van de macht. Maar in de disciplinaire maatschappij neemt de individualisatie toe naarmate men afdaalt in de hiërarchie. Het kind is méér voorwerp van individuele observatie en beschrijving, van een particuliere biografie dan de volwassene, de zieke méér dan de gezonde, de misdadiger méér dan de volgzame burger, de gek méér dan de normale mens. De documentering van bestaande figuren is niet langer een procedure om te heroïseren of te heiligen, ze fungeert als procedure van objectivering en onderwerping. Het zorgvuldig nagetrokken leven van geesteszieken of delinquenten is, net zoals de kroniek van koningen en het epos van roemruchte bandieten, onderdeel van een bepaalde politieke functie van het geschrevene – maar binnen een geheel andere technologie van de macht.

De discipline produceert de beheersbare, de kenbare en berekenbare (en dus statistische) mens: het moderne subject als kennend subject en te kennen subject van de menswetenschappen. Zo waren statistieken geen beschrijvingen die hopeloos aan een richtingloos empirisme werden onderworpen, maar drukten ze een specifiek beeld van de maatschappij uit en bevatten ze een belangrijke disciplinerende inhoud.