Dossier Ballard

Voorwoord bij Crash

De verbintenis tussen rede en nachtmerrie die de twintigste eeuw tot nu toe overheerst heeft bracht een steeds dubbelzinniger wereld voort. Door het moderne communicatie-landschap bewegen de spookbeelden van sinistere technologieën en dromen die voor geld te koop zijn. Nucleaire bewapeningssystemen en frisdrankreclames bestaan naast elkaar in een overbelichte realiteit die beheerst wordt door commercie en pseudo-events, wetenschap en porno. Onze levens worden volledig getoonzet volgens de twee belangrijkste leidmotieven van de twintigste eeuw, seks en paranoia.

Steeds vaker worden wij gedwongen ons idee over verleden, heden en toekomst te herzien. Net zoals het verleden in sociologisch en psychologisch opzicht het slachtoffer werd van Hiroshima en het atoomtijdperk, is op zijn beurt ook de toekomst opgehouden te bestaan, verzwolgen door een vraatzuchtig heden. We hebben de toekomst aan het heden toegevoegd, als een van de vele alternatieven waaruit het ons vrij staat te kiezen. De mogelijkheden om ons heen worden alsmaar diverser, en onze wereld is een volstrekt infantiele geworden waar elke behoefte, elke mogelijkheid op het gebied van life-style, reizen, seksualiteit direct kan worden vormgegeven.

Daar komt bij dat ik van mening van dat het evenwicht tussen werkelijkheid en fictie aanzienlijk is verschoven in de afgelopen periode. In groeiende mate zijn hun rollen omgedraaid. We leven in een wereld die wordt geregeerd door allerhande soorten ficties – massale merchandizing, reclame, politiek als een vorm van reclame, door de tv die het onmogelijk maakt om oorspronkelijk te reageren op ervaringen. We leven midden in een gigantische roman. Het is steeds minder noodzakelijk voor de auteur om de fictionele inhoud van zijn roman zelf te verzinnen. De fictie is overal aanwezig. De taak van de auteur is het om de werkelijkheid opnieuw uit te vinden.

In het verleden gingen we er altijd vanuit dat de wereld om ons heen de werkelijkheid vertegenwoordigde, hoe verwarrend of onzeker ook, en dat de innerlijke wereld van onze geest, onze dromen, verwachtingen, ambities, stonden voor de fantasie en de verbeelding. Deze rollen zijn omgedraaid, zo lijkt me. De verstandigste en meest effectieve manier om de buitenwereld tegemoet te treden is ervanuit te gaan dat hij verzonnen is, een fictie – en dus dat de enige kleine kern van realiteit die ons is gebleven zich in onze hoofden bevindt. Freuds klassieke onderscheid tussen de oppervlakkige en onderliggende betekenis van een droom, moet nu worden toegepast op de zogenaamde reële buitenwereld.

Al deze veranderingen in aanmerking genomen: wat is dan de belangrijkste taak van een auteur geworden? Kan hij nog langer gebruik maken van de vertelprocédés en –perspectieven van de traditionele negentiende-eeuwse roman met zijn lineaire verhaallijn, zijn keurige chronologie, zijn realistische personages, ieder met hun eigen domein en daarin alle tijd en ruimte van de wereld? Kan hij nog langer schrijven over de onderliggende oorzaken van gedrag en karakter, diep verzonken in een ver verleden, op zijn gemak onderzoek doen naar oorsprong en wortels, of de allersubtielste nuances in sociaal gedrag en intermenselijke relaties bestuderen?

Heeft de schrijver nog steeds dat morele overwicht dat hem in staat stelt een wereld te bedenken die zichzelf genoeg is, en te heersen over zijn personages als was hij een examinator die de antwoorden op alle vragen van tevoren al kent? Kan hij gewoon dingen weglaten die hij liever niet begrijpt, waaronder ook zijn eigen motieven, vooroordelen en neuroses?

Ik ben van mening dat de rol van de schrijver, zijn gezag en handelingsbevoegdheid, radicaal veranderd zijn. Voor mijn gevoel wéét de schrijver niets meer. Hij heeft geen enkele morele status. Hij offreert de lezer de inhoud van zijn hoofd, een collage van mogelijkheden en denkbeeldige alternatieven. Zijn rol is die van de wetenschapper die, in het veld of in het laboratorium, geconfronteerd wordt met een onbekend onderzoeksgebied of –object. Het enige wat hij nog kan doen is verschillende hypothesen formuleren en deze toetsen aan de feiten.

Crash is zo’n boek, een extreme metafoor voor een extreme situatie, een gereedschapskist vol wanhoopsmaatregelen alleen te gebruiken in een extreme crisis. En natuurlijk gaat Crash niet alleen over een denkbeeldige catastrofe, hoe dreigend die ook kan zijn, maar over een wijdverbreide ramp van wereldformaat die goed is voor jaarlijks honderdduizenden dodelijke slachtoffers en miljoenen gewonden. Zien wij in het auto-ongeluk de griezelige voorbode van een nachtmerrie-achtig huwelijk tussen seks en technologie? Zal de moderne technologie ons de tot nu toe ondenkbare middelen verschaffen onze neuroses uit te leven? Is het op deze manier uitrusten van onze aangeboren perversiteit wel goed voor ons? Is er zich een een afwijkende logica aan het ontwikkelen die sterker is dan die van de rede?

In Crash heb ik de auto niet alleen gebruikt als een seksueel motief, maar vooral als metafoor voor het leven van de mens in de maatschappij van vandaag. Als zodanig heeft de roman een politieke functie, die volledig losstaat van zijn seksuele inhoud. Toch geef ik er zelf de voorkeur aan Crash te zien als de eerste pornografische roman die gebaseerd is op technologie. Maar pornografie is in zeker opzicht ook weer de meest politieke vorm van fictie. Het gaat immers over de manier waarop we mensen gebruiken en uitbuiten, zo hardnekkig en wreed als maar mogelijk is.

Onnodig hier nog aan toe te voegen, dat het uiteindelijke doel van Crash is te waarschuwen tegen die brutale, erotische en overbelichte realiteit die steeds verleidelijker naar ons staat te wenken vanaf de zijlijn van het technologisch speelveld.