Opkomst van een tegencultuur

Soms koop je een boek omdat de titel zo intrigeert. Zoals je soms naar een stad gaat omdat de naam zoveel beelden oproept. Coimbra is bijvoorbeeld zo’n stad. Opkomst van een tegencultuur is zo’n boek. Zo nu en dan wordt de belofte meer dan waargemaakt, maar ook wel eens helemaal niet.

En dus begin je met een zekere argwaan te lezen in Roszak’s Opkomst van een tegencultuur. Het boek is tenslotte al meer dan veertig jaar oud, het kan niet anders dan volstrekt achterhaald zijn. En die tegencultuur? Die zal toch zo langzamerhand wel opgekomen zijn?

Om met het laatste te beginnen. Ja, die tegencultuur is opgekomen. Maar ook weer verdwenen. Je kunt vandaag de dag niet meer over studentenbewegingen, Herbert Marcuse of Paul Goodman beginnen zonder meewarig aangekeken te worden.

De opkomst én ondergang van de tegencultuur laat zich verklaren door de heldere inleiding van het boek waarin Roszak uitgebreid ingaat op de technocratische samenleving. Door Roszak gedefinieerd als ‘die samenleving waarin heersers zich legitimeren met een beroep op de technische deskundigen die zich, op hun beurt, rechtvaardigen met een beroep op wetenschappelijke kennis.’ Daarnaast is het ‘kenmerkend voor de technocratie dat ze zichzelf ideologisch onzichtbaar maakt.’ En ‘consolideert de macht van de technocratie zich als een transpolitiek verschijnsel dat het dictaat van de industriële efficiency, doelmatigheid en noodzaak volgt.’ Tenslotte ‘[neemt] technocratie een positie in als die van volstrekt neutrale scheidsrechter.’

Ja, dat klinkt allemaal wat vaag en abstract, maar beschrijft Roszak hier niet de samenleving die wij heel goed kennen? Namelijk de onze? De samenleving waarin politieke besluitvorming gelegitimeerd wordt door economische rekenmodellen over koopkracht en groei, de samenleving die de ideologische veren afgeschud heeft en de samenleving waarin efficiency en doelmatigheid hoog in het vaandel staan? Wat je er ook over denkt, herkenbaar is het toch wel.

Prikkelend wordt het als Roszak een tirade houdt over de maatschappelijke vormen van technocratie, zoals opvoeding – ‘een kwestie van geschikt maken van de jongeren om te voorzien in de behoeften van onze divers barokke bureaucratieën’, ondernemingsvrijheid – ‘beperkend systeem van oligopolistische marktmanipulatie [...] gericht op het infantiliseren van het publiek’, pluralisme – ‘kritische standpunten [als] particuliere gebeden voor het altaar van een tot niets verplichtende conceptie van vrije meningsuiting’ en democratie – ‘opinieonderzoek bij een ‘toevallige steekproef’.

Nog steeds herkenbaar en prikkelend. Dus zeker niet achterhaald.Toch vraag je je af of verzet niet zinloos is, wetende dat de jongeren van toen thans bankdirecteur of pensionado in Benidorm zijn.