Kapitaal

KapitaalIn Kapitaal van John Lanchester volgen we de bewoners van Pepys Road. De huizen van Pepys Road werden eind negentiende eeuw gebouwd voor de lagere middenklasse, maar de waarde van deze huizen zijn in de loop van de twintigste eeuw gestegen tot ongekende hoogten.

Van het bankiersgezin van Roger Yount tot de Poolse bouwvakker Zbigniew en de Zimbabwaanse politicologe Quentina die er parkeerwacht is. Losjes verbindt Lanchester de bewoners van Pepys Road met elkaar – vooral door het uit de doeken doen van hun financiële transacties – en fijntjes tekent hij hun karakters – vooral hun gefrustreerde verlangens.

Op huisnummer 51 denkt bankier Roger Yount tijdens het dichtknopen van zijn op maat gemaakte kostuum uit Savile Row lekkerbekkend aan zijn kerstbonus van 1 miljoen pond; zijn vrouw Arabella houdt zich bezig met het zoeken naar een nieuwe nanny en met het uitdelen van bevelen aan de Poolse klusjesman Zbigniew. Op nummer 42 speurt de hoogbejaarde Petunia Howe van achter haar kanten gordijn naar de komst van de thuisbesteldienst van de supermarkt en een paar huizen verder vult middenstander Ahmed in zijn buurtwinkel de rekken met de ochtendkranten. Terwijl op nummer 27 de zeventienjarige Senegalese voetbalbelofte Freddy Kamo in afwachting van zijn eerste wedstrijd bij zijn nieuwe club uit de Premier League videospelletjes speelt, slingert voor zijn voordeur de Zimbabwaanse parkeerwachter Quentina een foutgeparkeerde James Bondachtige Aston Martin op de bon.

Wat Van Jou Is Wordt Van Ons – die onheilspellende mededeling ploft opeens op de deurmat van de huizen. Er verschijnen mysterieuze graffiti, auto’s worden bekrast, op een website verschijnen dreigende filmpjes. Zullen de huizenprijzen eronder gaan lijden? Zitten de moslims erachter, of de makelaars? Er ontstaat paniek, de bewoners komen in opstand en de autoriteiten staan voor een raadsel. Kapitaal is het uitstekende verhaal van een straat aan de vooravond van de bankencrisis, met alle bizarre verwikkelingen van dien.

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjarenOp het omslag van de Nederlandse editie van Murakami’s nieuwe roman staat geen titel. Wel staat er twee keer Haruki Murakami: in westers en Japans schrift (村上 春樹). Het is duidelijk dat de uitgever de voorkeur gaf aan het fraaie omslagontwerp van Studio Vruchtvlees, de lange titel zou het omslag alleen maar ontsieren. Tekenend is het wel. Blijkbaar is de naam en faam van Murakami zo groot dat de uitgever er voor kan kiezen de titel weg te laten. De ‘nieuwe Murakami’ volstaat. Dat het Murakami Festival al na enkele dagen uitverkocht was bevestigt dit nog maar eens.

Toch vraag ik me al tijden af wat Murakami zo bijzonder maakt. Dat de man kan schrijven is zeker. Een roman van Murakami staat garant voor een heerlijke zondagmiddag lezen. Zijn vlotte en heldere schrijfstijl is benijdenswaardig. Maar is het ook meer dan dat? Ik heb de laatste jaren met veel plezier een aantal romans van Murakami gelezen, maar echt beklijven deed er geen.

De meeste verhalen van Murakami verlopen volgens een vast procédé: de hoofdpersoon (meestal man, vervreemd, maar net niet contactgestoord) maakt wat mysterieus mee (iets exotisch Japannerigs) en gaat rest van het verhaal op zoek naar antwoorden, en vindt ze dan ook. Vaak duikt er ergens in het verhaal ook een excentriek meisje op. Ondertussen leest de hoofdpersoon meestal westerse literatuur en luistert naar westerse muziek.

Ook in De kleurloze Tsukuru Tazaki wijkt Murakami niet af van het vaste procédé: de jeugdvrienden van Tsukuru Tazaki willen hem van de ene op de andere dag niet meer kennen. De reden blijft jarenlang een mysterie voor Tsukuru totdat zijn vriendin Sala hem aanzet om antwoorden te vinden bij zijn oude vrienden. En hij vindt ze dan ook. En ondertussen praat Tsukuru met vriend Haida over Voltaire (ja echt, Voltaire).

Wie één roman van Murakami gelezen heeft, heeft ze eigenlijk allemaal gelezen. Lekker gek Japans met genoeg westerse verwijzingen om het aantrekkelijk te maken. De titel is dan ook volstrekt onbelangrijk.

Haruki Murakami, De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren (Atlas Contact). Verschijnt 12 januari 2014.

Pristina

Pristina‘Anton, spreekt voor zich. Kan ik op je vertrouwen? G.’

Naam: C. Dosta (Cira). Aanvraag AC 26.03.1999. AZC 12.05.1999. Beschikking afwijzend 16.06.2009. Beschikking in beroep afwijzend 23.08.2010. Oproep voorgeleiding consulaat 08.03.2012 (geen LP). MOB 17.06.2012.

Anton/Albert Drilling, speciaal bevoegd opsporingsambtenaar van de Taskforce Repatriëring, krijgt de opdracht asielzoekster Cira Dosta op te sporen en terug te sturen naar haar land van herkomst. Haar dossier is onvolledig en zou waarschijnlijk in het archief verdwenen zijn als een journalist er niet naar gevraagd had bij het ministerie. Het is zijn honderdvijfendertigste zaak. Honderdvierendertig vreemdelingen heeft hij al terug naar huis gebracht. Een score van honderd procent. En alles volgens het HIERZO-systeem: Humaan, Integer, Efficiënt, Respectvol, Zakelijk, Onderbouwd.

Cira Dosta blijkt op Vlieland te wonen. Ze is daar achtergebleven nadat het asielzoekerscentrum op het eiland opgeheven werd. Anton/Albert Drilling weet haar snel te traceren: het is de charmante receptioniste van zijn hotel. Op haar naambordje staat Manja, ze noemt zichzelf Irin Past. De burgemeester en zijn vrienden hebben haar de afgelopen jaren verborgen gehouden op het eiland. Cira/Manja/Irin kan uitstekend Nederlands, ze heeft zelfs een eilandse tongval.

Anton/Albert weet wat hem te doen staat. In het terugkeergesprek zal hij Cira/Manja/Irin overtuigen terug te keren naar haar land van herkomst: Egypte/Kosovo. Maar iets aan Cira/Manja/Irin brengt hem uit evenwicht. De altijd zo zorgvuldige Anton/Albert – alles zit in de voorbereiding – besluit af te wijken van zijn normale routine en houdt het terugkeergesprek al wandelend op het eiland. Ze verdwalen en ergens onderweg raakt Anton/Albert verstrikt in het gesprek met Cira/Manja/Irin. Anton/Albert weet dan al eigenlijk niet meer wie nou wie overtuigd heeft.

Cira/Manja/Irin houdt hem voor dat haar geboorteplaats niets zegt over haar identiteit. Hoe kan ze Kosovaarse zijn als het land nog niet eens bestond toen ze naar Nederland vluchtte? Waarom moet ze ‘terugkeren’ naar Pristina? De stad die zo veranderd is sinds ze vertrok. Op het eiland is ze thuis, hier kent ze de mensen, hier is ze gedeelte van de samenleving. Haar geboorteplaats is niets meer dan een betekenisloze ambtelijke notitie. En wie is Anton/Albert? De opsporingsambtenaar die voortdurend identiteiten wisselt, wie kent hem echt? Wat maakt hem meer Nederlander dan Cira/Manja/Irin behalve zijn geboorteplaats? (Den Haag/Woerden?). Wie is hier de vreemdeling?

Na Op Zee heeft Toine Heijmans wederom een sterke roman afgeleverd. Literatuur zoals literatuur moet zijn; Pristina roept vragen op, meer dan het antwoorden geeft. Wat is identiteit en hoe bepalen we dat eigenlijk? De ambtelijke identiteitsbepaling gaat niet verder dan de geboorteplaats, maar wordt je identiteit niet bepaald door de plek waar je thuis bent, waar je deel uit maakt van een samenleving? En welke rechtvaardigheid zit er dan nog in het terugsturen van vluchtelingen? Heijmans baant zich een weg door deze vragen zonder een moreel oordeel te vellen. En daarvoor verdient hij alle lof.

Toine Heijmans, Pristina (Atlas Contact). Verschijnt 16 januari 2014.

 

 

Luchtvissers

LuchtvissersVrijdag 8 november verschijnt Luchtvissers, de derde roman van Gerwin van de Werf. Eerder schreef hij al de goed ontvangen romans Gewapende man (2010) en Wild (2011).

In Luchtvissers besluit Joshua Lohman zijn oude leven achter zich te laten na een ernstig auto-ongeluk waarbij zijn ‘stiefzoon’ Noah overlijdt. Hij ontvlucht zijn verleden op het verlaten eiland Lundines, maar ontdekt dan al snel dat er nog meer mensen zijn achtergebleven. Hij blijft achter met vijf eilandbewoners die allemaal zo hun eigen redenen hebben om achter te blijven op het eiland. De cynische dominee Quast, van zijn geloof gevallen, alcoholist en heimelijk pedofiel. De bejaarde Markus en zijn demente vrouw Marthe. En de ogenschijnlijk dommige schaapsherder Jens samen met zijn jonge dochter Jo-Anne.

Het leven op het eiland blijkt weerbarstiger dan verwacht – meer hel dan paradijs – en om te overleven zullen de eilandbewoners samen moeten werken. Om aan voedsel te komen leert Markus Joshua luchtvissen (papegaaiduikers vangen) op de levensgevaarlijke kliffen van Lundines. Het is de plek van de dood, de plek waar Olle (de broer van Markus) op twaalfjarige leeftijd verongelukt is. Maar het is ook de plek van leven, de plek waar papegaaiduikers uit de lucht gevist worden om te overleven.

Het is dan ook op de kliffen van Lundines, op de rand van leven en dood, waar de roman op z’n sterkst is. Joshua dacht op het eiland de pijn en de dood te kunnen vergeten, het leven de rug toe te keren, maar wordt dan juist hier geconfronteerd met zijn verdriet, schuldgevoelens en angsten. Joshua ontdekt dat het nieuwe leven simpelweg een voortzetting is van het oude leven, maar ook dat hij de dood in de ogen moet kijken om te kunnen leven.

De zware thematiek van leven en dood is verpakt in een goed geschreven roman die ook lichtvoetig is. Verwacht niet alleen maar kommer en kwel. De scene waarin dominee Quast op zijn preekstoel voor een lege kerk God de laan uit stuurt is hilarisch in al zijn tragiek. De scenes waarin de demente Marthe haar man de huid vol scheldt terwijl hij haar verschoond zijn tegelijkertijd ontroerend als grappig. Luchtvissers leest als een knap geconstrueerde opera. Laat dat maar aan de componist Van de Werf over.

***

Kritische noot:

Het oneigenlijk gebruik van gevoelens en dingen als personages in het verhaal: “’Je bent er,’ zegt de hoofdpijn, ‘je bent er nog steeds.’” (p. 8). Nee hoor, hoofdpijn zegt helemaal niets. En bruggen ook niet, laat staan dat ze iets ontdekken: “…de brug schudt nog wat, ontdekt dan dat wij niet meer bewegen en komt tot rust.” (p. 95).

Side Effects

In 2013 bracht Steven Soderbergh twee films uit. Er was natuurlijk de alom bejubelde biopic over Liberace: Behind the Candelabra. Eerder in het jaar verscheen het wat minder ontvangen Side Effects, met o.a. Jude Law en Catherina Zeta-Jones.

In Side Effects raakt de jonge Emily Taylor (Rooney Mara) depressief wanneer haar man terugkeert uit de gevangenis. Na een zelfmoordpoging komt ze in behandeling bij psychiater Jonathan Banks (Jude Law). Na overleg met Emily’s vorige psychiater schrijft Banks haar het nieuwe experimentele middel Ablixa voor. Emily lijkt in eerste instantie goed te reageren op het nieuwe medicijn; ze is gelukkig, heeft weer sex met haar man, maar gaat ook slaapwandelen, één van de bijwerkingen van het middel. Tijdens een van haar slaapwandel-episodes steekt ze haar man neer, wanneer ze weer wakker wordt vindt ze hem dood in hun appartement. Als de dood van haar man onderzocht wordt blijkt Emily toch niet zo onschuldig te zijn.

Upstream Color

Arman Avsaroglu schreef op 8weekly over The Tree of Life van Terrence Malick: ‘Over sommige films moet je eigenlijk gewoon zwijgen. Die zijn zo mooi en alomvattend dat woorden tekort schieten.’

Over Upstream Color (2013) van Shane Carruth zou ik hetzelfde willen zeggen. Net als bij The Tree of Life speelt het verhaal hier een ondergeschikte rol. Het is eerder een anderhalf uur durende ervaring waarin hallucinante beelden en geluiden elkaar afwisselen in schoonheid en opgaan in een hypnotiserende abstractie.

En anders is er ook nog de beeldschone Amy Seimetz die de hoofdrol speelt. Kijken dus. De beste film die je dit jaar zult zien.

Opkomst van een tegencultuur

Soms koop je een boek omdat de titel zo intrigeert. Zoals je soms naar een stad gaat omdat de naam zoveel beelden oproept. Coimbra is bijvoorbeeld zo’n stad. Opkomst van een tegencultuur is zo’n boek. Zo nu en dan wordt de belofte meer dan waargemaakt, maar ook wel eens helemaal niet.

En dus begin je met een zekere argwaan te lezen in Roszak’s Opkomst van een tegencultuur. Het boek is tenslotte al meer dan veertig jaar oud, het kan niet anders dan volstrekt achterhaald zijn. En die tegencultuur? Die zal toch zo langzamerhand wel opgekomen zijn?

Om met het laatste te beginnen. Ja, die tegencultuur is opgekomen. Maar ook weer verdwenen. Je kunt vandaag de dag niet meer over studentenbewegingen, Herbert Marcuse of Paul Goodman beginnen zonder meewarig aangekeken te worden.

De opkomst én ondergang van de tegencultuur laat zich verklaren door de heldere inleiding van het boek waarin Roszak uitgebreid ingaat op de technocratische samenleving. Door Roszak gedefinieerd als ‘die samenleving waarin heersers zich legitimeren met een beroep op de technische deskundigen die zich, op hun beurt, rechtvaardigen met een beroep op wetenschappelijke kennis.’ Daarnaast is het ‘kenmerkend voor de technocratie dat ze zichzelf ideologisch onzichtbaar maakt.’ En ‘consolideert de macht van de technocratie zich als een transpolitiek verschijnsel dat het dictaat van de industriële efficiency, doelmatigheid en noodzaak volgt.’ Tenslotte ‘[neemt] technocratie een positie in als die van volstrekt neutrale scheidsrechter.’

Ja, dat klinkt allemaal wat vaag en abstract, maar beschrijft Roszak hier niet de samenleving die wij heel goed kennen? Namelijk de onze? De samenleving waarin politieke besluitvorming gelegitimeerd wordt door economische rekenmodellen over koopkracht en groei, de samenleving die de ideologische veren afgeschud heeft en de samenleving waarin efficiency en doelmatigheid hoog in het vaandel staan? Wat je er ook over denkt, herkenbaar is het toch wel.

Prikkelend wordt het als Roszak een tirade houdt over de maatschappelijke vormen van technocratie, zoals opvoeding – ‘een kwestie van geschikt maken van de jongeren om te voorzien in de behoeften van onze divers barokke bureaucratieën’, ondernemingsvrijheid – ‘beperkend systeem van oligopolistische marktmanipulatie [...] gericht op het infantiliseren van het publiek’, pluralisme – ‘kritische standpunten [als] particuliere gebeden voor het altaar van een tot niets verplichtende conceptie van vrije meningsuiting’ en democratie – ‘opinieonderzoek bij een ‘toevallige steekproef’.

Nog steeds herkenbaar en prikkelend. Dus zeker niet achterhaald.Toch vraag je je af of verzet niet zinloos is, wetende dat de jongeren van toen thans bankdirecteur of pensionado in Benidorm zijn.

Scherven

Scherven, Ismet PrcicIsmet Prcic, Scherven (2013)

Ik kan me herinneren dat ik als kind – 10 of 11 jaar oud – een potje voetbal speelde op een pleintje in de buurt. We speelden samen met twee broertjes, uit Joegoslavië wist mijn buurjongen. We verstonden elkaar niet, maar dat was ook niet nodig. Voor voetbal hoef je tenslotte niet elkaars taal te spreken, aan wijzen, schreeuwen en voetballen heb je meer dan genoeg.

Kaboem!

Een luide knal klonk en wij dachten er verder niet over na. Waarschijnlijk een ontplofte uitlaat van een auto, of iemand met vuurwerk. Maar de broertjes uit Joegoslavië doken angstig weg achter een muurtje. Bang voor de knal en wat daar verder op zou volgen. Ze wilden ook niet meer verder spelen, ze wilden naar huis. Ze waren bang en daar konden wij zelfs in ons beste Engels niets aan veranderen.

Ik moest aan dit voorval denken tijdens het lezen van Ismet Prcic’ Scherven. De roman is opgebouwd uit fragmenten – scherven – geschreven door de hoofdpersoon, Ismet Prcic. Ismet groeit op in Tuzla en slaagt erin om te vluchten voordat hij opgeroepen wordt voor het Bosnische leger. Hij bereikt uiteindelijk Amerika, maar de dreiging, het ontheemd zijn, het wantrouwen, de schuldgevoelens, ze zijn allemaal meegereisd via Schotland en Kroatië naar Amerika.

Zijn therapeut adviseert hem alles op te schrijven. Het resultaat is een wirwar van herinneringen, bekentenissen en ficties. Warme herinneringen aan zijn jeugd in Tuzla, naast gekwelde brieven aan zijn moeder over de uitdagingen van het leven in deze nieuwe wereld.

Als het leven dat Ismet in Amerika opbouwde langzaam begint af te brokkelen beginnen ‘herinneringen’ vanuit het oogpunt van een andere jonge Bosniër, genaamd Mustafa, de overhand te nemen. Mustafa bleef wel.

Scherven is een indrukwekkende roman over de lotgevallen van een vluchteling. Over opgroeien terwijl de wereld om je heen in brand staat, over de voortdurende dreiging van geweld en nergens meer thuis zijn.

 

De eeuwige puber

Hoe moet je zijn?

Sheila Heti, Hoe moet je zijn? (2013)

Als Miranda July, Lena Dunham, Chad Harbach, Margaret Atwood én Arjan Peters er de loftrompet over steken moet het toch iets bijzonders zijn. Dat dacht ik toen ik de achterflap las van Sheila Heti’s Hoe moet je zijn? Of nou ja, mijn interesse was in ieder geval gewekt. Zeker nadat het werd aangeraden door een collega.

Maar wat blijkt? Het is gewoon een middelmatige hipster-roman.

Sheila – eind twintig, gescheiden en toneelschrijfster – probeert zichzelf opnieuw uit te vinden en een antwoord te vinden op de vraag hoe te leven? Dat doet ze samen met haar vriendin Margaux – getalenteerd kunstenares – en de ‘vrijgevochten’ kunstenaar Israel.

Tussendoor probeert ze een toneelstuk af te ronden (wat ze niet doet), werkt ze in een kapperssalon, doet een clownscursus, reist naar Miami en New York en procrastineert er verder nog op los met eindeloze dialogen die ze ook nog eens opneemt op haar bandrecorder.

Eén dialoog blijft uiteindelijk hangen. De dialoog waarin Margaux verwijst naar de puer; het Jungiaanse archetype Puer aeternus; de persoon die weigert op te groeien en de uitdagingen van het leven aan te gaan, maar (tevergeefs) wacht tot de oplossingen zich vanzelf aandienen. De eeuwige puber dus.

Als je dan zo nodig hip wil zijn kijk dan vooral een seizoen van Girls, maar laat dit boek dan lekker liggen.

 

Puer*

‘… Puers hoeven niet in analyse te gaan, als ze dit maar goed onthouden – dat voortdurend je plannen wijzigen gevaarlijk is, en niet wát je kiest - dan komen ze er misschien ooit achter dat ze het hebben gehaald. Het probleem is dat de puer altijd vooruitloopt op elk mogelijk verlies, op alle mogelijke teleurstellingen en pijn – dat type verwacht dat de uitkomst van al zijn ervaringen zal zijn, dus sluit hij zich er al van bij het begin van af en trekt hij zich haast onmiddelijk terug om zich te beschermen. Op die manier geeft de puer zich nooit helemaal aan het leven over – hij leeft in voortdurende doodsangst voor het einde. In zijn geval heeft de rede een te zware tol geëist. [...] Ze moeten zich volledig aan die ervaring overgeven. Soms denk je wel eens hoeveel meer zulke mensen zouden leven als ze bereid zouden zijn inspanningen te leveren! Als ze niet gelukkig kunnen zijn, laat ze dan op zijn minst ongelukkig zijn – voor een keertje diep-, diepongelukkig. Dan worden ze misschien echt menselijk.’

Sheila Heti, Hoe moet je zijn? (2013), p. 82

* Puer verwijst naar het Jungiaanse archetype Puer aeternus; de persoon die weigert op te groeien en de uitdagingen van het leven aan te gaan, maar (tevergeefs) wacht tot de oplossingen zich vanzelf aandienen.